Meer artikelen? Zie menu 'Nieuws Rubrieken'

  • Lintjes
  • Cultuur
  • Algemeen
  • Entertainment
  • SJiF
  • Gelezen
Amsterdam

Javaanse Kalender

Friday, 31 October 2014  
Jemuah Pon, 7 Sura 1948 Éhé

I'm sorry myApi login is currently not compatible with Internet Explorer. Download Chrome, that's what all the cool kids are using

Connect with facebook

Facebook Connect

Hi , login or create a new account below

Login

Register

If you already have an account with this website login with your existing user name and password to enable Facebook Connect. From now on you'll be able to use our one click login system with your facebook credentials instead of your current user and password

Alternativley to create a new account using details from your Facebook profile enter your desired user name and password below. These are the details you can use to log into this website if you ever decide to delete your facebook account.

Forgot your password? - Forgot your username?

Skype Kaboel

call kaboel.karso
Paramaribo

Skype Beheerder

call kkarso
Jakarta

Paramaribo

An error occured during parsing XML data. Please try again.
An error occured during parsing XML data. Please try again.

Ida Ameida

Nederlands - nl-NLEnglish (United Kingdom)
De komst van de Javanen in Suriname en de achtergronden Print E-mail
Javanen.Org is a NGO, independend platform for ducth people from Javanese and Suriname origin. Main goals are: - News gathering from de Javanese community and environment related to Indonesa, Suriname and Holland; - Publication of historical material related to the Javanese culture; - Publication of material related to the migration of Javanese from Indonesia to Suriname and from Suriname to Holland; - Encouraging the Javanese community to participate in the dutch society in social, economic and political aspects; - Emphasizing the Javanese tradition and Culture adaptation to the community of the 35.000 Javanese living in Holland and their direct environment. Descendants of Indonesian - and Suriname Javanese.
Auteur:
P.P. Mangoenkarso, 2000; aangepast in september 2005

Dit artikel is ook HIER te downloaden

1 Inleiding
Elk volk of etnische groepering kent in zijn geschiedenis momenten waarop zij of hij trots is. Gebeurtenissen die belangrijk zijn voor de eigen identiteit. Deze gebeurtenissen worden daarom ook regelmatig (vaak ieder jaar) herdacht. Zo is voor de Surinaamse Javanen met historisch besef, 9 augustus een belangrijke datum.
De Surinaamse Javanen hebben uiteraard ook hun oudste geschiedenis die via Suriname teruggaat naar het verre Indonesië. Dit is het land vanwaar onze ouders of voorouders als immigranten naar het koloniale Suriname, vaak in miserabele omstandigheden, werden verscheept. Dit om als contractarbeiders (ook met kinderarbeid) op de plantages tewerk te worden gesteld.

De geschiedenis van de "Surinaamse Javanen" echter begint op 9 augustus 1890, toen de eerste immigranten voet aan wal zetten op Surinaamse bodem. Deze immigranten brachten in hun bagage een rijke cultuur mee o.a.: adat, traditie, religie, taal, eetgewoonten, kleding, zang, dans en muziek. Javanen hebben Suriname ook zeker veel nagelaten of ook veel geïntroduceerd zoals bijvoorbeeld bepaalde behandelingen die met de gezondheidszorg (tukang pijet, anti conceptie) te maken hebben, de visserij (gedroogde garnalen of wel ebbi genoemd), gebruiksgoederen (tampah, tjeting, tenggohk, bamboe bezem, tip tip, klosoh, de schaafijskar) en bloemsierkunst (gagar majang). De gebruiksgoederen had in de koloniale tijd ook een economische impact gehad (in assortiment bij een aantal groothandelsbedrijven: CKC, H.J. de Vries en Harry Tjin), vooral voor de vinding van plastic. Waarschijnlijk heeft geen enkele bevolkingsgroep, Suriname zoveel diversiteit aan gebruiksgoederen nagelaten of geïntroduceerd.

Voor de Javaanse jongeren dreigt de geschiedschrijving over de immigratie in het vergeetboek te geraken: wat weten de Javaanse jongeren nog over onze ouders of voorouders die een periode van ontberingen (zware arbeid, karige lonen, veel belediging en minachting voor het leven) hebben meegemaakt als Javaanse immigrantarbeiders? Daarnaast ook nog een belangrijk feit dat diegenen die het verhaal over de migratie zouden kunnen vertellen aan het uitsterven zijn.
 
2 Afschaffing slavernij
Op 1 juli 1863 werd de slavernij in Suriname afgeschaft. In Suriname ontstonden er daardoor nog grotere problemen met het toch al nijpende arbeidstekort. Hierdoor werd het steeds moeilijker om de plantages draaiende te houden. Ondanks het ingestelde staatstoezicht op de ongeveer 140 plantages die Suriname in 1863 telde, verlieten vele voormalige slaven de plantages om zich in Paramaribo te vestigen. Lang voor de afschaffing van de slavernij in Suriname was het al duidelijk geworden dat de vrije slaven niet op de plantages wilden blijven werken. Nederland was op dat moment een van de laatste kolonisatoren die de slavernij afschafte, en had die ontwikkeling kunnen zien aankomen bij de Britse en de Franse koloniën. 

3 Chinezen en Hindoestanen
In het jaar 1808 werd de slavenhandel door Engeland verboden. Daardoor ontstond ook in Suriname uiteindelijk een steeds groter wordend tekort aan arbeidskrachten. Dit tekort trachtte men op te heffen door aanvoer van arbeiders uit het buitenland. Reeds in 1853 werden er uit Java en Madeira, Chinese respectievelijk Portugese landarbeiders aangevoerd. Zij werden op bepaalde plantages tewerkgesteld. Het ronselen van Chinezen eindigde in 1873. Met de immigratie van de Chinezen en de Portugezen was in Suriname tevens de basis gelegd voor een multiculturele samenleving. De aanvoer van Chinese en Portugese landarbeiders bleek echter niet voldoende om het tekort aan plantagearbeiders op te heffen. Hierdoor ging men Hindoestaanse arbeiders aanvoeren uit de Engelse koloniën, waar de slavernij al in 1833 was afgeschaft. Deze aanvoer van Hindoestaanse immigranten werd mogelijk gemaakt door een in rond 1870 gesloten traktaat tussen de Nederlandse en Engelse regering. Nederland verplichtte zich daarbij om de veiligheid van de internationale scheepvaart langs de Sumatraanse kusten te garanderen en de zeepiraten uit Atjeh die de kusten rond Maleisië onveilig maakten, aan te pakken. Als beloning mocht Nederland contractarbeiders uit Brits(West) Indië, het huidige India, werven voor de Surinaamse plantages. Het stopzetten van het Sumatra traktaat (overeenkomst tussen staten of andere politieke machten) in 1917 door Engeland waarbij de aanvoer van de Hindoestaanse contractarbeiders uit West-Indië is stil komen te staan, zijn de plantage eigenaren genoodzaakt om steeds meer arbeiders uit Oost(Nederlands)-Indië, het huidige Indonesië, aan te trekken.

Op 5 juni 1873 betraden de eerste Hindoestaanse immigranten uit de Engelse kolonie Brits Guyana de Surinaamse bodem. Ook het aantrekken van Chinese arbeiders is uiteindelijk mislukt, omdat de meeste Chinezen zich uiteindelijk op de handel toelegden. In 1917 werd onder druk van de nationalistische bewegingen in Brits-Indie het traktaat opgezegd.

4 De komst van de Javanen
De eerste Javanen werden vanuit Indonesië via Nederland naar Suriname verscheept. In 1890 kwamen 94 Javaanse contractarbeiders in Suriname terecht die met verschillende schepen waren verscheept. Op 9 augustus 1890 meerde de Prins Willem II met de eerste 44 met de letter S aangemerkte contractanten in de haven van Paramaribo aan. Op 2 september 1890 volgde de Oranje Nassau met twee contractanten. Vervolgens op 20 september 1890 de Prins Willem III met contractanten met de letter S47-91. Daarna op 15 oktober de Prins Fredrerik Hendrik met twee Javaanse contractanten met de letter S92-93. De heer Wonsodikromo, een jongeman van ongeveer 25 jaar oud uit Klaten, kwam op 24 november 1890 als de 94ste contractant met de Prins Willem I in Suriname aan. Op 41 jarige leeftijd verliet hij, na drie hercontracten afgesloten te hebben, Suriname.
In totaal betrof het: 61 mannen, 31 vrouwen en 2 kinderen. Deze eerste Javaanse contractanten waren in de vorm van een experiment en op particulier initiatief naar Suriname aangevoerd. Dit experiment bleek geslaagd te zijn, waarna de Javaanse immigratie van overheidswege ter hand werd genomen. Op deze manier werd de continuïteit van het aanbod aan arbeidskrachten in Suriname gewaarborgd. Het volgende schip, het S.S. Voorwaarts, verliet Java met 614 Javanen aan boord en meerde op 16 juni 1894 in Paramaribo af.

Tijdens de overtocht moesten de contractanten op deze en andere boten vaak zware ontberingen doorstaan. Daarbij vielen meer dan eens doden. Dat gebeurde ook tijdens de overtocht met het S.S. Voorwaarts. Het schip was overbevracht en niet goed ingericht op personenvervoer. Het resultaat was dat van de 614 opvarenden uit Nederlands-Indië er 64 mannen, vrouwen en kinderen stierven, en twee kinderen dood werden geboren. Van de 64 slachtoffers stierven er overigens 32 tijdens de overtocht. Direct na aankomst in Paramaribo werden 85 personen in het ziekenhuis opgenomen, van wie nog eens 32 mensen als gevolg van de miserabele omstandigheden tijdens de reis, kwamen te overlijden. Niemand werd vervolgd en de toenmalige minister van koloniën ging niet verder dan de kwestie ‘’ten zeerste te betreuren’’. Hij sprak desondanks zijn waardering uit voor de Handel Maatschappij die de verscheping geheel belangeloos verrichtte. De kwestie werd maar zo snel mogelijk vergeten, want het betrof toch alleen maar arme onbelangrijke mensen.

Van 1890 tot 1939 werden er zo ongeveer 33.000 Javaanse contractarbeiders aangevoerd. De immigratie van Javanen eindigde in 1939 door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Van de Javaanse contractarbeiders zijn er ruim 7.500 na afloop (of na een verlenging omdat er geen retourboot beschikbaar was na afloop van hun eerste contract) teruggekeerd naar Nederlands-Indië. Ook in latere jaren konden velen de roep van het vaderland niet weerstaan; zo keerden in 1954, nadat Indonesië onafhankelijk werd, ongeveer 1.000 personen terug. Daarnaast vestigden er zich ongeveer 150 Javanen in Frans Guyana. Velen hadden nog tot de onafhankelijkheid van Suriname de Indonesische nationaliteit.

Grafiek 1: Aangekomen Javaanse contractanten (aantallen), 1890-1939



Grafiek 2: Vertrokken ex-Javaanse contractarbeiders (aantallen), 1897-1956

Als het aan gouverneur Kielstra (een oudgediende uit Indië) had gelegen, zouden er 100.000 Javanen in 10 jaar tijd zijn aangevoerd. Kielstra was van 1933 tot 1943 gouverneur van Suriname. Het plan dat gouverneur Kielstra ontvouwde, zou een rigoureuze verjavaansing van Suriname betekenen. Minister van Koloniën, Welter wilde echter niet zover gaan, en achtte ruim 1000 Javanen per jaar realiseerbaar. Volgens Kielstra zouden voor de Javanen, Indonesische landbouwdorpen (desa’s) opgezet moeten worden met scholen waar in het Javaans zou worden les gegeven. Er zijn vijf Kielstra dorpen gerealiseerd, o.a. Kampong-Baroe en Tamanredjo. Deze dorpen kenden een zelf(dorps)bestuur, waarvan de Lura het dorpshoofd is. De Javanen (evenals de Hindoestanen) zouden meer erkenning moeten krijgen voor hun culturele eigenheid. Ondanks hevige tegenwerking van de met Creolen gevulde Staten van Suriname, wist Kielstra door te drukken dat de tot dan gevoerde assimilatiepolitiek vaarwel werd gezegd: de Javanen (en Hindoestanen) kregen vanaf 1936 een (door Kielstra benoemde ) afvaardiging in het Surinaamse parlement en een eigen huwelijks- en echtscheidingswetgeving. Door de Creolen werd deze politiek van Kielstra een verdeel- en heerspolitiek genoemd. Zij wilden in Suriname in het midden van het bed liggen en zagen hun machtspositie aangetast. Maar het Kielstra beleid om grote aantallen Javanen te laten migreren is door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog nooit verwezenlijkt. Op 13 december 1939 arriveerden de laatste 990 Javaanse immigranten in Suriname.

5 Arbeidscontract tekenen
De Javaanse contractarbeiders moesten een contract tekenen waarin hun rechten en plichten waren opgenomen. De meest belangrijkste clausules waren:
  1. De contractant moet vijf jaren werken, zes dagen in de week; per dag zeven uren op het land en tien uren in de fabriek.
  2. Het dagloon voor mannen ouder dan 16 jaar bedraagt 60 cent. Vrouwen en kinderen tussen de 10 en 16 jaar kregen 40 cent per dag.
  3. De werkgever was onder geen enkele omstandigheid verplicht de contractanten te onderhouden. Wel moest bij de contractanten voor de eerste drie maanden proviand verstrekken, welke dezen later terug dienden te betalen.
  4. Na afloop van de contractperiode had de contractant het recht op een vrije overtocht naar het land van herkomst.
Na vervulling van de vijfjarige werkovereenkomst kon men ook het contract verlengen en op de plantage blijven. In zo’n geval ontvingen de Javanen een bonus van 20 gulden voor elk jaar dat zij langer bleven. De immigranten die om een of andere reden besloten om zich na afloop van het contract permanent in Suriname te vestigen kregen een stukje grond. Daarnaast kregen ze de 100 gulden repatriëringgeld terug.

6 Het verhaal van een migrant
De heer Kamsi[1], die in Suriname de naam Mariman heeft aangenomen, was ongeveer 17 jaar oud toen hij in Suriname aankwam. De reden van de naamsverandering is niet bekend. Hij is geboren in het dorp Djenengan, in Kalasan Kandjeng Ngajodjo. Waarschijnlijk maakt dat tegenwoordig onderdeel uit van Jogyakarta. Zijn vader was landbouwer. Zijn opa Karyo, was in datzelfde dorp ‘lurah’ dorpshoofd. Een oom van hem ‘Pa gede: Djimin Djodreo’ was djoko bojo, waarschijnlijk ‘secretaris’. Een andere oom van hem genaamd ‘Dyo’ was kebayan (Dorpsfunctionaris), in Karang Nongko.

Als aan hem gevraagd werd wat de beweegredenen waren om naar een ver land als Suriname te emigreren, antwoordde hij dat hij door een onbekende man (ronselaar) was betoverd. Hij vertelde dat hij na een schop in de schenen van die onbekende, zich verder niets meer kon herinneren. Hij kwam pas bij toen hij in het schip zat op weg naar Suriname. Merkwaardig is dat "betovering" door een groot deel van de Javaanse immigranten als een reden werd opgegeven. In de wandelgangen staat deze praktijk van de ronselaar bekend als "di werk".

De heer Mariman vertrok op 15 augustus 1927 uit Indonesië met de Madioen 4 en kwam na een reis van 41 dagen op 24 september 1927 in Suriname aan. Hij had identiteitsnummer 1184/AE gekregen.

Identiteitsbewijs


[1] In september wordt de zoektocht naar zijn achtergelaten familieleden beschreven in “Een zoektocht naar achtergelaten familieleden” .

In Suriname was hij vanaf 24 september 1927 tot 24 september 1932 tewerkgesteld op de plantage Nieuw Clarenbeek in het district Commewijne. Zijn terugkeerpremie, honderd gulden groot, had hij op 19 september 1936 geïnd. De tijd na zijn contractperiode was hij werkzaam als arbeider bij het Ministerie van Landbouw Veeteelt en Visserij te (proefstation) La Poule. Op zestigjarige leeftijd is hij met pensioen gegaan. Zijn pensioen bedroeg enkele centen meer dan f 45,- (Surinaams) per maand. Hij was zeer trots op zijn pensioen maar helaas was dat pensioen niet geïndexeerd, waardoor anno 1992, toen de prijzen van kosten van levensonderhoud explosief waren gestegen, met dat pensioen niet eens een 1 literfles Cola gekocht kon worden. Hij heeft altijd de Indonesische nationaliteit behouden.

Indonesische paspoort

In Suriname ontmoette hij jaren later per toeval zijn neef Kasdjo Djojodimedjo (511/VI). Deze was op 27 juli 1930 vanuit Semarang met de Djember uit Indië vertrokken en kwam op 15 september 1930 in Paramaribo aan. Bij de onafhankelijkheid van Suriname verkreeg hij daarnaast automatisch de Surinaamse nationaliteit. Hij is op 84 jarige leeftijd overleden te Kampong Baroe in Suriname.

7 Minachting

Een grote meerderheid van de Javanen was als contractarbeiders, of daarna als zelfstandige, werkzaam in de kleine landbouw. Het was zo dat de Javaanse boer het economisch niet slecht had. Maar het boerenleven isoleerde de Javanen lang van de andere bevolkingsgroepen. Ook de slechte scholing van de Javanen droeg daaraan bij, omdat ze alleen in aanmerking kwamen voor laaggeschoolde vacatures (handenarbeid). Een andere reden voor die slechte baantjes waren de vooroordelen van de andere bevolkingsgroepen tegenover de Javanen. Bij de Creolen boven aan de sociale ladder, leidde dit tot discutabele grapjes over de Javanen ofwel "Saka Saka Japanesie" . De zielige indruk die de Javanen met hun kaartje om hun nek bij hun aankomst op de Creolen maakten, leefde nog lang voort. Een veel gehoorde opmerking van de Creolen tegenover de Javanen was: " Broer (kan), wat weet jij eigenlijk. Je bent gekomen met een kaartje om je hals. ‘’kan, sang joe sabi, joe kong dja nanga karta na joe nekie". En later, vanaf de Tweede Wereldoorlog, toen veel Javanen naar de hoofdstad verhuisden: Kan, wat doe je in de stad, je moet naar het platteland om rijst te planten "Kan sang joe doe dja na foto, joe moe go na grong foe plani alesi’’. Tegenover de Javaanse vrouw hadden de Creoolse mannen niet veel meer in petto dan ‘vrouw, ga voor een kwartje met mij naar bed ‘’Mbajoe, stalie mek mek’’. Ook de Hindoestanen, eveneens ex-contractarbeiders keken neer op de Javanen. Voor hen was dat een bevolkingsgroep die alleen maar van de ene dag op de andere kon leven, vandaar de term ‘’Malahi’’ die de Hindoestanen gebruiken. Een ander gehoorde minachtende kreet was Javanen eten trasie "Japanesie njang trasie". Het Javaans eten was toen nog niet in de Surinaamse keuken doorgedrongen. Rest maar nog de vraag waarom de groente “kancong” in Suriname “dagoeblad” wordt genoemd? Inventief als de Javanen waren om aan inkomen voor levensonderhoud te komen verkochten zij in de stad schaafijs, dus wordt ze dan "ijs Pae’’ nageroepen. Ook het werken bij de fecaliën opruimingsdienst is de Javaan niet ontgaan: “Bronbere Pae”. De Javanen op hun beurt zagen de andere bevolkingsgroepen liever van achteren dan van voren: ze noemden de Creolen (tijang tjemeng of blackaman of blanda, waarvan de letterlijke vertaling: zwarte witte man). De Hindoestanen waren gierige koelies (tijang koenten).

8 Slot

Anno 2000 is het bovenstaande beeld deels in positieve zin vervaagd. De vele bevolkinggroepen leven nu in ons Suriname in goede harmonie met elkaar samen. De eetgewoonten van de Javanen zijn nu in Suriname volledig ingeburgerd. De vraag die nu gesteld kan worden is: “Wie eet nu geen trassi in Suriname”. De Javanen zijn nu ook beter opgeleid, politiek bewuster, sociaal, economisch en maatschappelijk erop vooruit gegaan en verder redelijk geïntegreerd in de Surinaamse samenleving. Ze bekleden nu bij de overheid ook hogere functies, dat is te zien als men de telefoonlijst van de ministeries naslaat. Ruim twintig jaar geleden was zoiets nauwelijks zichtbaar. Anno 2005 is zelf zo dat het hoogste orgaan in Suriname die de regering controleert namelijk het parlement van Suriname wordt voorgezeten door een nazaat van een Javaanse contract arbeider. Het is nu duidelijk dat sinds de jaren tachtig de Javanen nu ook de belangrijkste sleutel posten aan het opeisen/claimen of veroveren zijn.
Het beschikbaar stellen en analyseren van de historische data van de Surinaamse Javanen kan in de leemte van het historisch besef (het gebrek aan kennis over de afkomst van de huidige generatie) deels voorzien. Dit blijkt ook uit de vele emotionele reacties uit het gastenboek van JavaS. Maar helaas is er, behalve het onderzoek van de Waal Malefijt en Suparlan, verder weinig bekend over de beleving van de Javaanse contractarbeiders zelf. Op dit moment leeft er nog een klein deel van deze migranten in Suriname en ook in Nederland. Het is dan ook heel hard nodig om met deze kleine groep overgebleven migranten verder te praten over de motieven van hun migratie. Belangrijk is verder hoe ze nu het permanent verblijf in Suriname of in Nederland als geheel ervaren en beoordelen. De gebeurtenissen dienen wetenschappelijk te worden vastgelegd voor het nageslacht. Tot slot daarom een publieke oproep aan Javaanse wetenschappers om een pro deo onderzoek op te starten naar de overgebleven migranten zodat hun ervaringen voor het nageslacht kunnen worden gered. Gezien de leeftijd van de meeste migranten is daarbij haast geboden. Het kan nu nog net[1]!

[1] Helaas mag auteur na vijfjaren constateren dat de Javaanse wetenschappers geen gevolg  heeft gegeven aan eerder gedane oproep. Het aantal overgebleven contractarbeiders is nu waarschijnlijk in die vijfjaren drastisch verminderd.

Auteur
:
P.P. Mangoenkarso, 2000; aangepast in september 2005

In 1980, werkzaam in Suriname als hoofd van de afdeling Bevolkingsstatistiek van het Algemeen Bureau voor de Statistiek. In het kader van zijn afronding van de cursus kwalitatief onderzoek heeft hij een onderzoeksvoorstel geschreven voor een grootschalig onderzoek naar de overgebleven voormalige Javaanse immigranten in Suriname.
Aan de totstandkoming van dit artikel spreekt auteur zijn dank uit naar dhr Drs. J. Kras en mw. Mr. M. Schouten voor hun kritische opmerkingen.

Literatuur:
  1. de Waal Malefijt A. de 1963. The Javanese of Suriname: Segment of a plural society.
  2. Suparlan Pursadi 1976. The Javanese of Suriname: Ethnicity in an Ethnically Plural Society
  3. Paul O phey, Javanen in Suriname, Cultureel maandmagazine over Indonesië, Indonesië naderbij.
  4. Fons Grasveld, Klaas Breunissen, Ik ben een Javaan uit Suriname, 1990.
Quote this article on your site

To create link towards this article on your website,
copy and paste the text below in your page.




Preview :


Powered by QuoteThis © 2008